Studiekostenbeding
STUDIEKOSTENBEDING
(Conform BW 7:611 goed werknemerschap en BW 6:248 redelijkheid en billijkheid)
De ondergetekenden:
Werkgever:
[Werkgever Naam]
KVK-nummer: [Werkgever K V K]
Vertegenwoordigd door: [Werkgever Vertegenwoordiger]
Werknemer:
[Werknemer Naam]
Functie: [Werknemer Functie]
komen het volgende studiekostenbeding overeen:
Artikel 1 - Scholing en studiekosten
1.1 Werkgever draagt de kosten van de opleiding [Opleiding Naam] aan [Opleidingsinstituut], met startdatum [Opleiding Startdatum] en verwachte einddatum [Opleiding Einddatum].
1.2 De totale studiekosten die werkgever betaalt bedragen EUR [Totale Studiekosten].
1.3 Werkgever vergoedt de studiekosten conform de Werkkostenregeling (WKR), Wet op de loonbelasting 1964 art. 31a. Scholing voor de arbeidsmarkt is vrijgesteld van loonheffing conform Uitvoeringsregeling loonbelasting art. 8.7.
Artikel 2 - Terugbetalingsverplichting
2.1 Werknemer verbindt zich de studiekosten terug te betalen als de arbeidsovereenkomst eindigt door opzegging door werknemer of door ontslag van werknemer op eigen verzoek, binnen [Terugbetaling Termijn] jaar na het behalen van het diploma of certificaat.
2.2 Afbouwschema van toepassing: [Afbouw Schema].
2.3 Terugbetaling is verschuldigd binnen 30 dagen na de laatste werkdag, tenzij schriftelijk een betalingsregeling is overeengekomen.
Artikel 3 - Vrijstellingsgronden (geen terugbetaling)
3.1 De terugbetalingsverplichting vervalt in de volgende gevallen:
a. Ontslag wegens bedrijfseconomische of organisatorische reden via UWV-ontslagvergunning (Wet Werk en Zekerheid);
b. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever conform BW 7:671b lid 8;
c. Opzegging door werknemer wegens een dringende reden aan de zijde van werkgever conform BW 7:679;
d. Ontslag wegens zwangerschap, bevalling of (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid.
Artikel 4 - Verbodsgrens verplichte scholing
4.1 Dit beding heeft geen betrekking op scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie conform BW 7:611a (Wet toekomst scholing 2022). Verplichte beroepsopleidingen, wettelijk verplichte certificaten en herscaling wegens reorganisatie vallen buiten de reikwijdte van dit beding.
Artikel 5 - Geschillen
5.1 Op dit beding is Nederlands recht van toepassing. Geschillen worden voorgelegd aan de Kantonrechter conform Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 93 sub c. De Kantonrechter kan het beding matigen of buiten toepassing stellen op grond van BW 6:248 bij onredelijke uitkomsten.
Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te [Onderteken Plaats] op [Onderteken Datum].
________________________
[Werkgever Vertegenwoordiger]
Namens [Werkgever Naam]
________________________
[Werknemer Naam]
Werknemer
Werkgever
________________
Signature
Werknemer
________________
Signature
Wat is Studiekostenbeding?
De Studiekostenbeding in Nederland is het beding waarmee een werknemer zich verbindt om door de werkgever betaalde opleidingskosten geheel of gedeeltelijk terug te betalen als hij binnen een afgesproken termijn vertrekt, met als grondslag het goed werkgeverschap van Burgerlijk Wetboek art. 7:611 en de redelijkheid en billijkheid van BW art. 6:248. Het beding is alleen geldig als het proportioneel is en met een afbouwregeling werkt; sinds de scholingsplicht van BW art. 7:611a mogen kosten van wettelijk of cao-verplichte opleidingen niet op de werknemer worden verhaald.
De Hoge Raad der Nederlanden en de Kantonrechters hebben door de jaren heen een set van criteria ontwikkeld voor de geldigheid van het studiekostenbeding. Het beding is geldig als de terugbetalingsverplichting evenredig is aan de genoten voordelen (proportionaliteitsbeginsel), als de terugbetalingstermijn in verhouding staat tot de opleiding (doorgaans 1-4 jaar voor een MBO/HBO/universitaire opleiding), en als het beding niet zo bezwarend is dat het de werknemer feitelijk belemmert om van werkgever te wisselen (verlengd non-concurrentiebeding-effect).
De Wet toekomst scholing (2022) — die scholingsverplichtingen van de werkgever verankert in het arbeidsrecht — speelt bij de beoordeling van het studiekostenbeding eveneens een rol. Scholing die noodzakelijk is voor de huidige functie van de werknemer (verplichte beroepsopleiding, wettelijk verplichte certificaten zoals BHV, VCA of rijbewijzen voor de functie) mag niet worden teruggevorderd, conform BW 7:611a. Alleen scholing die de arbeidsmarktwaarde van de werknemer verhoogt buiten de huidige functie kan onder een studiekostenbeding worden geschaard.
Praktisch worden studiekostenbedingen gebruikt bij duurdere opleidingen zoals MBA-studies, Master-opleidingen, gespecialiseerde cursussen bij erkende opleidingsinstituten, interne management development-programma's en professionele certificeringen. De werkgever investeert in de opleiding van de werknemer en wil voorkomen dat de werknemer met de opgedane kennis direct naar een concurrent overstapt. Het beding biedt juridische bescherming voor die investering.
Schriftelijkheid is vereist. Hoewel het BW geen algemene eis van schriftelijkheid stelt voor het studiekostenbeding, volgt uit de rechtspraak van de Kantonrechter dat een mondeling beding vrijwel nooit afdwingbaar is. Het studiekostenbeding moet de hoogte van de studiekosten, de terugbetalingstermijn, het afbouwschema en de gronden voor vrijstelling uitdrukkelijk vermelden.
Wanneer heeft u Studiekostenbeding nodig?
Een studiekostenbeding is aangewezen wanneer de werkgever substantiële kosten maakt voor de opleiding van een werknemer en deze investering wil beschermen. Bij een cursus van enkele honderden euro's is een studiekostenbeding niet proportioneel; bij een MBA van € 25.000 of een tweejarige HBO-opleiding van € 15.000 is de werkgever gerechtigd een terugbetalingsbeding te eisen.
Bij indiensttreding van een werknemer die als voorwaarde een bepaalde opleiding moet volgen, is het logisch het studiekostenbeding direct in de arbeidsovereenkomst op te nemen. De werknemer weet dan vooraf wat de terugbetalingsverplichting is, zodat hij of zij een weloverwogen keuze kan maken.
Als de werkgever tussentijds besluit een bestaande werknemer een dure opleiding aan te bieden, kan een studiekostenbeding worden overeengekomen via een addendum. BW 7:613 vereist schriftelijkheid; mondeling overeenkomen van het beding is risicovol.
Verdere toepassingen zijn internationale stages of traineeships met verblijfskosten, detacheringen waarbij de werkgever reiskosten en tijdsinvestering draagt, en interne bedrijfsopleidingen met externe trainers. De WFBV (Wet financiering beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) kent subsidieregimes voor erkende opleidingen; de netto-kosten voor de werkgever na subsidie zijn het bedrag waarover het studiekostenbeding loopt.
Wat moet er in uw Studiekostenbeding staan?
Een rechtsgeldig studiekostenbeding bevat allereerst de volledige identificatie van de opleiding: naam van de opleiding, naam van het opleidingsinstituut, looptijd (start- en einddatum), de verwachte kwalificatie of het certificaat en de totale kosten uitgesplitst in collegegeld, materialen, reiskosten en eventuele vervangende personeelskosten. Vage omschrijvingen zoals 'een managementopleiding' zijn onvoldoende; de Kantonrechter verlangt precisie.
De hoogte van de terugbetalingsverplichting moet transparant zijn. Doorgaans geldt het volledige studiekosten bedrag bij vertrek voor aanvang of gedurende de opleiding, en een degressief schema na afronden. Een glijdende schaal op basis van maanden in dienst na de opleiding is de meest gebruikte en meest geaccepteerde methode bij de Kantonrechter. Op forms-legal.com kunt u dit studiekostenbeding combineren met een CAO-aanvulling Werknemer voor een compleet overzicht van alle arbeidsvoorwaarden.
Het afbouwschema werkt doorgaans als volgt: vertrek binnen 12 maanden na opleiding = volledige terugbetaling; 12-24 maanden = 50% terugbetaling; 24-36 maanden = 25% terugbetaling; meer dan 36 maanden = geen terugbetaling. De concrete percentages zijn vrij overeen te komen, maar de Kantonrechter matig bij onredelijke schema's op grond van BW 6:248.
Vrijstellingsgronden zijn een onmisbaar element. Het beding mag niet in werking treden als het ontslag het gevolg is van: werkgeverswangedrag conform BW 7:678 (ontslag op staande voet door werknemer wegens dringende reden), reorganisatieontslag conform UWV-ontslagvergunningsprocedure (Wet Werk en Zekerheid), ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever conform BW 7:671b lid 8, of beëindiging wegens zwangerschap of arbeidsongeschiktheid. De werknemer mag niet worden bestraft voor onvrijwillig vertrek.
Boetebeding bij niet-terugbetaling conform BW 7:650 is optioneel; de meeste werkgevers vorderen de schuld via gewone incassoprocedure of via verrekening met het eindloon conform BW 7:632. Verrekening met het eindloon is enkel mogelijk met vakantiegeld en andere emolumenten, niet met regulier loon boven het wettelijk minimumloon conform BW 7:627.
Een relatiebeding of non-concurrentiebeding in combinatie met een studiekostenbeding is mogelijk, maar de Kantonrechter let erop dat de gecombineerde bedingen niet een dermate zware last vormen dat de vrijheid van arbeid van de werknemer illusoir wordt.
Hoe vult u uw Studiekostenbeding in?
Stap 1: Vul de naam van de werkgever in met KVK-nummer. Gebruik de statutaire naam zoals ingeschreven in het Handelsregister.
Stap 2: Vul de volledige naam van de werknemer in en de datum van de arbeidsovereenkomst waarop het studiekostenbeding een addendum vormt.
Stap 3: Beschrijf de opleiding gedetailleerd: naam opleiding, naam instituut, Nederlandstalige of Engelstalige opleiding, niveau (MBO/HBO/WO/postacademisch), studiebelasting in uren per week, verwachte einddatum als DD-MM-JJJJ.
Stap 4: Voer de totale kosten in die de werkgever betaalt: collegegeld of cursusgeld in EUR (bijv. € 18.500,00), studiemateriaal, reiskosten, eventuele kosten van tijdelijk vervanging. Gebruik het EUR-formaat met punt als duizendtalscheider en komma als decimaalteken.
Stap 5: Stel de terugbetalingstermijn in jaren in (doorgaans 2-4 jaar). Vraag juridisch advies bij boven de vier jaar vanwege risico op matiging door de Kantonrechter.
Stap 6: Definieer het afbouwschema per periode. Gebruik een degressieve schaal en beschrijf per tijdvak welk percentage van de totale studiekosten terugbetaald moet worden.
Stap 7: Vermeld de vrijstellingsgronden expliciet. Minimaal: reorganisatieontslag, opzegging door werkgever, ernstig verwijtbaar werkgevershandelen, zwangerschapsontslag.
Stap 8: Bepaal de terugbetalingswijze: verrekening met eindloon (let op wettelijk minimumloon), betaling in termijnen, of ineens. Betalingstermijn van 30 dagen na uitdiensttreding is gangbaar.
Stap 9: Laat beide partijen ondertekenen. Bewaar het origineel in het personeelsdossier.
Wettelijke vereisten voor Studiekostenbeding
BW 7:611a (ingevoerd per Wet toekomst scholing 2022) bepaalt dat de werkgever de kosten draagt voor scholing die noodzakelijk is voor het uitoefenen van de functie of voor bij wet vereiste scholing. Dergelijke scholingskosten mogen niet worden teruggevorderd via een studiekostenbeding. De verplichting tot scholing conform BW 7:611a omvat ook herscaling bij functiewijziging ten gevolge van automatisering of reorganisatie. Het studiekostenbeding is alleen geldig voor scholing die de bredere arbeidsmarktpositie van de werknemer versterkt buiten de functionele noodzaak.
Principe van proportionaliteit: de Hoge Raad der Nederlanden beoordeelt studiekostenbedingen op proportionaliteit. Een terugbetalingstermijn van vijf jaar of meer is doorgaans disproportioneel tenzij de opleiding een buitengewoon hoge waarde heeft. De Kantonrechter kan op grond van BW 6:248 het beding matigen of buiten toepassing laten bij onredelijke uitkomsten.
Samenhang met non-concurrentiebeding: een studiekostenbeding gecombineerd met een non-concurrentiebeding (BW 7:653) kan door de Kantonrechter als een te zware cumulatieve last worden beoordeeld. De rechter kan beide bedingen matigen als de combinatie de vrijheid van arbeid te ernstig beperkt.
Geen schriftelijke vereiste in BW, maar uit rechtspraak onmisbaar. De Gerechtshoven Amsterdam en Den Haag hebben meermalen geoordeeld dat een mondeling studiekostenbeding in beginsel afdwingbaar is, maar dat bewijsproblemen vrijwel altijd in het nadeel van de werkgever uitvallen. Schriftelijkheid is daarmee de facto vereist.
Belasting: studiekostenvergoedingen van de werkgever vallen in beginsel onder de vrije ruimte van de Werkkostenregeling (WKR) conform Wet op de loonbelasting 1964 art. 31a. Vergoedingen voor beroepsopleidingen zijn vrijgesteld van loonheffing als de opleiding voldoet aan de definitie van scholing voor de arbeidsmarkt (Uitvoeringsregeling loonbelasting art. 8.7).
Veelgemaakte fouten bij uw Studiekostenbeding
De meest gemaakte fout is het opnemen van verplichte beroepsscholing in het studiekostenbeding. BW 7:611a verbiedt terugvordering van kosten voor scholing die noodzakelijk is voor de functie-uitoefening. Werkgevers die een BHV-opleiding, een wettelijk verplicht rijbewijs of een VCA-certificaat terugvorderen, kunnen voor de Kantonrechter geen stand houden. Controleer voor elk type opleiding of het onder BW 7:611a valt.
Een ander risico is de te lange terugbetalingstermijn. Terugbetalingstermijnen boven de vier jaar worden door Kantonrechters regelmatig gematigd als disproportioneel. Zeker bij kortdurende cursussen van een paar maanden is een meerjarige terugbetalingsverplichting niet verdedigbaar. Stem de duur van het beding af op de waarde en duur van de opleiding.
Het ontbreken van een degressief afbouwschema is eveneens problematisch. Als het beding bepaalt dat 100% terugbetaald moet worden ongeacht hoe lang na de opleiding de werknemer vertrekt, oordeelt de Kantonrechter dit als disproportioneel. Een degressieve schaal (zie keyElements) is de standaard die de rechter als redelijk beschouwt.
Vergeten vrijstellingsgronden zijn een frequente oorzaak van nietigheid. Bedingen die ook bij reorganisatieontslag of werkgeverswangedrag de terugbetaling activeren, worden door de Kantonrechter buiten toepassing gesteld conform BW 6:248. Neem altijd de vier standaard-vrijstellingsgronden op.
Tot slot: verrekening met regulier loon. Werkgevers proberen studiekosten te verrekenen met het lopende salaris bij vertrek. BW 7:632 staat verrekening alleen toe met vakantiegeld en eindejaarsuitkeringen, niet met regulier loon boven het minimumloon. Onjuiste verrekening levert een loonvordering op van de werknemer bij de Kantonrechter.
Citeer deze pagina
Verwijs naar dit gratis sjabloon in een artikel, lesplan of onderzoeksnotitie:
Forms Legal. (2026). Studiekostenbeding (Nederland) [Legal document template]. Forms Legal. https://forms-legal.com/nl/netherlands/employment/hr-forms/studiekostenbeding
"Studiekostenbeding (Nederland)." Forms Legal, 2026, https://forms-legal.com/nl/netherlands/employment/hr-forms/studiekostenbeding.
@misc{formslegal-studiekostenbeding,
author = {{Forms Legal}},
title = {Studiekostenbeding (Nederland)},
year = {2026},
howpublished = {\url{https://forms-legal.com/nl/netherlands/employment/hr-forms/studiekostenbeding}},
note = {Free legal document template}
}Veelgestelde vragen
Nee, niet alle studiekosten kunnen worden teruggevorderd. BW 7:611a, ingevoerd via de Wet toekomst scholing 2022, bepaalt dat de werkgever de kosten draagt voor scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de huidige functie of voor wettelijk vereiste scholing. Dergelijke verplichte scholingskosten mogen nooit via een studiekostenbeding worden teruggevorderd. Voorbeelden van verboden terugvordering: BHV-cursus, VCA-certificering, wettelijk verplicht rijbewijs voor de functie, herscaling bij reorganisatie. Scholing die de bredere arbeidsmarktpositie van de werknemer verbetert buiten de huidige functie — denk aan een MBA, een master-opleiding of een gespecialiseerde certificering die ook buiten het huidige dienstverband waardevol is — kan wel onder een studiekostenbeding vallen, mits proportioneel en schriftelijk overeengekomen. Twijfel over de kwalificatie van de scholing wordt door de Kantonrechter in het nadeel van de werkgever uitgelegd.
De wet stelt geen maximum voor de terugbetalingstermijn, maar de Kantonrechter beoordeelt de duur op proportionaliteit conform BW 6:248 (redelijkheid en billijkheid). In de praktijk accepteren Kantonrechters doorgaans terugbetalingstermijnen van 1-4 jaar, afhankelijk van de hoogte van de kosten en de duur van de opleiding. Een terugbetalingstermijn van 5 jaar of meer wordt bijna altijd gematigd, tenzij de opleiding bijzonder kostbaar is (bijv. een MBA van € 50.000 of meer). Een eenvoudige cursus van een paar duizend euro met een terugbetalingstermijn van 4 jaar is niet verdedigbaar; bij een tweejarige HBO-opleiding van € 15.000 is een terugbetalingstermijn van 3-4 jaar redelijk. Het Gerechtshof Amsterdam heeft meermaals geoordeeld dat terugbetalingstermijnen boven de duur van de opleiding zelf in beginsel disproportioneel zijn.
Een degressief afbouwschema bepaalt dat de terugbetalingsverplichting geleidelijk afneemt naarmate de werknemer langer in dienst blijft na de opleiding. Een gangbaar schema is: vertrek binnen 12 maanden na diploma = 100% terugbetaling; 12-24 maanden = 67% of 50%; 24-36 maanden = 33% of 25%; na 36 maanden = 0%. Een beding dat ongeacht het tijdstip van vertrek altijd 100% van de kosten terugvordert, is naar het oordeel van de Kantonrechter disproportioneel en kan op grond van BW 6:248 buiten toepassing worden gesteld. Het degressieve schema erkent dat de werkgever per gewerkt jaar na de opleiding terugwaarde heeft ontvangen van zijn investering en dat de resterende schuld dienovereenkomstig vermindert. De Hoge Raad der Nederlanden heeft in arresten over studiekostenbedingen steeds het proportionaliteitsbeginsel centraal gesteld.
Beperkt. BW 7:632 staat toe dat de werkgever vorderingen op de werknemer verrekent met vakantietoeslag (vakantiegeld) en andere emolumenten die bij het eindigen van het dienstverband verschuldigd zijn. Verrekening met het reguliere loon boven het wettelijk minimumloon (WML conform Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag) is niet toegestaan; de werknemer moet altijd ten minste het WML ontvangen. Werkgevers die toch verrekenen met regulier loon, lopen het risico dat de werknemer een loonvordering instelt bij de Kantonrechter met wettelijke rente conform BW 6:119. De meest veilige aanpak is een separaat incassotraject via een sommatie of verzoek tot deelbetalingsregeling als de werknemer na vertrek weigert te betalen.
Nee, een studiekostenbeding mag niet worden ingeroepen als het ontslag het gevolg is van werkgevershandelen. Als de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt via de UWV-ontslagvergunningsprocedure wegens bedrijfseconomische redenen (reorganisatie), via de Kantonrechter wegens ernstig verwijtbaar werkgevershandelen (BW 7:671b lid 8), of als de werknemer de overeenkomst opzegt wegens een dringende reden aan de zijde van de werkgever conform BW 7:678 (ontslag op staande voet door werknemer), dan vervalt de terugbetalingsverplichting. Ook bij ontslag wegens zwangerschap of arbeidsongeschiktheid mag het beding niet worden ingeroepen. Dit zijn de minimale vrijstellingsgronden die een rechtsgeldig studiekostenbeding altijd dient te bevatten. Ontbreekt een of meer van deze vrijstellingen, dan riskeert de werkgever dat het beding in zijn geheel buiten toepassing wordt gesteld.
Studiekostenvergoedingen van de werkgever vallen in beginsel onder de vrije ruimte van de Werkkostenregeling (WKR) conform Wet op de loonbelasting 1964 art. 31a. Voor beroepsopleidingen die de Belastingdienst erkent als scholing voor de arbeidsmarkt, geldt een gerichte vrijstelling: de vergoeding is belastingvrij zonder dat deze ten laste van de WKR-vrije ruimte gaat (art. 8.7 Uitvoeringsregeling loonbelasting). De vrije ruimte in 2025 bedraagt 1,92% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% over het meerdere. Als de studiekostenvergoeding niet kwalificeert als gerichte vrijstelling, telt zij mee voor de vrije ruimte. Bij terugbetaling van studiekosten door de werknemer geldt dat de werkgever de terugbetaalde bedragen als negatief loon in aanmerking kan nemen in de loonaangifte. Raadpleeg de Belastingdienst-website of een belastingadviseur voor de actuele normen per opleidingscategorie.
Ja, combinatie is mogelijk, maar de Kantonrechter toetst de gecombineerde last op proportionaliteit. Als de werknemer door een non-concurrentiebeding (BW 7:653) al beperkt wordt in zijn arbeidsmarktmogelijkheden, en bovendien een forse studiekostenschuld heeft, kan de rechter oordelen dat de combinatie de vrijheid van arbeid te ernstig beperkt en één of beide bedingen matigen. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in arresten bepaald dat bij een non-concurrentiebeding van meer dan 12 maanden gecombineerd met een studiekostenbeding van meer dan 50% van de totale studiekosten, matiging door de rechter waarschijnlijk is. De aanbeveling is: zorg dat beide bedingen afzonderlijk proportioneel zijn. Gebruik op forms-legal.com ook het aparte non-concurrentiebeding-formulier om de beide bedingen goed op elkaar af te stemmen.
Als de werknemer de opleiding voortijdig staakt zonder gegronde reden, dan is de werkgever in beginsel gerechtigd de reeds betaalde studiekosten terug te vorderen, proportioneel aan de genoten voordelen. De hoogte van de terugbetalingsverplichting hangt af van de reeds gemaakte kosten. Als de werknemer de opleiding staakt omdat hij of zij arbeidsgeschikt wordt (BW 7:629 loondoorbetaling bij ziekte geldt apart) of vanwege persoonlijke omstandigheden buiten zijn invloed, beoordeelt de Kantonrechter op grond van BW 6:248 of terugvordering redelijk is. Als de werkgever verwijtbaar heeft bijgedragen aan het voortijdig staken — bijv. door te hoge werkdruk of een functiewijziging die onverenigbaar was met de opleiding — kan de Kantonrechter de terugbetalingsverplichting matigen of geheel buiten toepassing stellen.
Dit sjabloon wordt uitsluitend ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies. Wetten verschillen per rechtsgebied en veranderen in de loop van de tijd. Raadpleeg een gekwalificeerde advocaat voor advies dat is afgestemd op uw situatie.Volledige disclaimer
Een fout gevonden? Laat het ons wetenRelated Documents
You may also find these documents useful:
Arbeidsovereenkomst voor Onbepaalde Tijd Nederland
Vaste arbeidsovereenkomst zonder einddatum tussen werkgever en werknemer conform Burgerlijk Wetboek Boek 7 art. 7:610 e.v. Bevat functie, loon, werktijden, proeftijd, vakantie, opzegging en CAO-bepalingen.
Arbeidsovereenkomst voor Bepaalde Tijd Nederland
Tijdelijke arbeidsovereenkomst met einddatum tussen werkgever en werknemer conform Burgerlijk Wetboek Boek 7 art. 7:667 en de ketenregeling van BW art. 7:668a. Bevat aanvangsdatum, einde van rechtswege, aanzegplicht, proeftijd, opzegging en transitievergoeding.
CAO-aanvulling Werknemer
Schriftelijke aanvulling op de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) met arbeidsvoorwaarden die bovenwettelijk zijn of afwijken van de CAO, conform Wet op de CAO 1927 en BW 7:613.
Non-concurrentiebeding Nederland
Schriftelijk beding waarmee een werkgever een werknemer verbiedt om gedurende een vastgestelde periode na einde dienstverband concurrerende activiteiten te ontplooien. Geregeld in Burgerlijk Wetboek Boek 7 art. 7:653, met motivering zwaarwegend bedrijfsbelang.